Cardiff Theosophical Archive

The Theosophical Society, Cardiff Lodge, 206 Newport Road, Cardiff CF24 – 1DL  

Return to Homepage

Het Geschrift van Annie Besant

Annie Besant

 (1847 -1933)

 

Vier Voordrachten over Theosofie

 door

Annie Besant

 

Gehouden in Verschillende Plaatsen van Nederland in Januari 1898

 

Gebaseerd op de uitgave gepubliceerd te Amsterdam, 1898.

 

Return to Homepage

Nederlandse en Nederlandstalige Theosofische Siten

 

 

 

INHOUD.

 

 

1. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een geschiedkundig oogpunt

 

2. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een wetenschappelijk oogpunt

 

3. Esoterisch Christendom

 

4. Het verhaal van den Christus

 

5. Aanhangsel. Inlichtingen over de Theosofische Vereniging

 

 

 

VOORWOORD.

 

 

De vier voordrachten over Theosofie welke hierbij het Nederlandsch

publiek worden aangeboden zijn door Mevrouw Annie Besant, L.T.V., in

verschillende steden van ons land gehouden in den loop van de maand

Januari, 1898.

 

Een vijfde voordracht is, daar zij niet aansluit bij het

aaneengeschakeld geheel van de vier in dit boekje vervatte, afzonderlijk

uitgegeven onder den titel: Levenstoestanden na den dood.

 

In snelschrift opgeteekend is het gesprokene woordelijk weergegeven;

slechts in de voordracht over Esoterisch Christendom zijn enkele

toespelingen op Bijbelplaatsen uitgelaten waar die alleen van toepassing

waren op de Engelsche vertaling van den Bijbel (Mevrouw Besant sprak in

het Engelsch) en niet op de van deze afwijkende Nederlandsche; die

uitlatingen zijn alle van ondergeschikt belang.

 

Aangehaalde werken of Bijbelplaatsen zijn in een noot aan den voet van

de bladzijde aangeduid.

 

Waar "goddelijk weten" staat werd door de spreekster "divine wisdom"

gezegd.

 

De voordracht "Het verhaal van den Christus" werd gericht tot een

uitsluitend uit leden der Theosofische Vereniging bestaand gehoor. De

vragen naar aanleiding van deze voordracht gedaan worden met de daarop

door Mevrouw Besant gegeven antwoorden opgenomen in het Maandblad

"Theosophia".  Enkele beknopte inlichtingen aangaande de Theosofische

Vereniging zijn ter wille van belangstellenden in een Aanhangsel aan

dit werkje toegevoegd.

 

J.J. HALLO JR.

 

HAARLEM, l Maart 1898.

 

 

 

De Theosofie en haar leeringen.

 

I

 

Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond te overwinnen hebben:

een vreemde taal is tusschen ons en zelfs voor hen die de taal kennen,

waarin ik spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen.

Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de taal is voor een

spreker het instrument, dat hij bespeelt. Door de taal bereikt hij de

harten en hoofden zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon

voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt en vermindert de

mogelijkheid dat hij de gedachten en gevoelens zijner hoorders bereikt.

Toch moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen wat wij kunnen, en

terwijl ik spreek zoo helder en eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe

aandacht leent zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen

en het onderwerp begrijpelijk te maken.

 

Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare leeringen, en daar ik

morgen te Haarlem over het zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het

in twee deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke voordracht

volledig zal maken. Ik zal hedenavond en morgen een verschillenden

gedachtegang volgen, voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten

mochten willen hooren.

 

Diegenen onder u, die gedurende de laatste twintig jaren den

ontwikkelingsgang van het denken in Europa hebben gevolgd, weten dat er

een bijzondere richting van studie is, welke veel wordt gebruikt als

een wapen tegen den godsdienst: de studie van Oostersche talen en

Oostersche godsdiensten. De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's,

der oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit de verschillende

landen van Europa en bij het onderzoeken dezer godsdiensten hebben zij

gezien hoeveel die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt, toen

zij de verschillende Schriften der Chineezen, der Perzen, der

Egyptenaren ter hand namen, dat deze alle dezelfde leering gaven: zij

spreken omtrent God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van God als

Een, het Ene Bestaan, zij spreken van God als immer geopenbaard in

drieeenheid, in drievoudig aanzicht, terwijl iedere persoon in die

drieeenheid zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al deze

Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den mensch en zijnen aard;

zij leeren dat de ziel des menschen onsterfelijk is, dat zijn aard

samengesteld is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden begrepen;

men zag dat in al deze Schriften der menschen ontwikkeling wordt

geleerd, de ontwikkeling der ziel, welke de openbaring van den geest is

in den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren dat enkele menschen

hunne ontwikkeling hebbon voleindigd, hunnen groei als geestelijke

wezens hebben voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch, goddelijk

in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens van hoofd en van hart; en in

al deze Schriften vond men geleeraard dat de menschen van heden kunnen

groeien, gelijk die menschen uit het verleden zijn gegroeid, dat zij ook

volmaakt kunnen worden en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen,

stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe onontwikkeld ook, kan

ontwikkelen tot den volmaakten, goddelijken mensch. Al deze dingen

worden geleerd in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen

deze vertaald waren in verschillende Europeesche talen, begreep men dat

de wereld-godsdiensten veel gemeen hebben en dat de meeste

leerstellingen van een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden

worden in het Hindoeisme, het Boeddhisme, de leeringen van Confucius en

Lao-tse. Zij hebben alle zooveel gemeen, dat wij niet een godsdienst van

de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking door de geleerden werd

gedaan, toen deze boeken waren vertaald in verschillende talen en de

menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken, was het eerste

besluit, waartoe velen kwamen, dat alle godsdiensten als zij in den

grond hetzelfde waren, een oorsprong moesten hebben, en dat zij geen

goddelijke openbaring konden zijn, maar dat een andere bron moest worden

gevonden, waaruit de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele

geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind waren, trachtten hunne

ontdekkingen te gebruiken om allen godsdienst te vernietigen en zeiden:

Zij zijn alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid, uit de

wijze waarop de mensen de natuur beschouwt: hij heeft de natuur

verpersoonlijkt en er wezens in gezien; en daar die wezens machtiger

waren dan hij, aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken dikwijls

vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen kon, hoewel zijn leven en

gemak van hem afhing, daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij

zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien, moest de mensch in

zijn onwetendheid denken dat al deze dingen goddelijke krachten, goden

waren; en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen, die zij

konden geven. En die geleerden zeiden dat zoo alle godsdienst was

opgegroeid, dat hij steeds zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of

animisme, en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had dan de

menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond tegen de waarde van den

godsdienst heeft veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op

feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde leeren, dat zij

alle dezelfde denkbeelden verkondigen, het was waar dat de groote

leeraars allen hetzelfde zeiden, de een na den ander. De feiten, welke

die geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen waren

verkeerd. In het eerst begrepen de menschen het onderscheid niet

tusschen deze beide dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden

worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst.

 

Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid der verschillende

godsdiensten van een ander standpunt en zeide: ja, het is waar dat de

leerstellingen van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een feit dat

door niemand, die de geschiedenis heeft bestudeerd, kan worden ontkend.

Wij zullen als voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen nemen,

het "Klassieke Boek van de Reinheid," [Voetnoot: Ook in het

Nederlandsch vertaald, in het Maandblad "Theosophia". Deel 5 (1897) blz.

206.] een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol wijsheid, vol

diepe geestelijke leering, dat ons verklaart hoe God zich in den mensch

geopenbaard heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als die van

God, hoe des menschen geest dezelfde is als de goddelijke geest, hoe

echter het menschelijk verstand troebel is door begeerten, die tusschen

zijn verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest in hem staan,

hoe de hartstochten van zijn lichaam zijn vooruitgang tegenhouden, en

hoe slechts wanneer zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn

gekomen, de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen in den

mensch. De leeringen van dit kleine Chineesche boekje, een der oudste

geschriften die wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als het

beste wat wij bezitten.

 

Van de Chineezen overgaande tot de Indiers vinden wij bij hen dezelfde

leeringen en wanneer wij in Egypte de mummies opgraven en de banden

loswikkelen waarin zij 10 a 20.000 jaar geleden werden gehuld, vinden

wij geschriften die ons de bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte

dezelfde leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid van de

menschelijke ziel, omtrent de wijze waarop zij gaat door leven na leven,

omtrent de lagere wereld waarin zij komt na den dood van het lichaam en

de hemel-wereld waarin zij vertoeft na gezuiverd te zijn op lagere

gebieden, omtrent haren daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar

zij wederom wijsheid opdoet door ondervinding.

 

Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden wij dezelfde leeringen,

steeds weer door de groote leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft

slechts een oorsprong, slechts eene bron, en die bron is het goddelijk

weten; niet de menschelijke onwetendheid, zooals vele geleerden dachten

maar het goddelijk weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren,

en dat steeds door volmaakte menschen van God tot de menschheid gebracht

is. Dit goddelijk weten bevat in zich de kennis van al wat is, en een

gedeelte ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid geschonken. De

hoeveelheid die gegeven wordt hangt af van de beschaving van het volk,

hangt af van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen, hangt

af van den aard dergenen die deze kennis bezitten en van de kracht van

hun pogen. In overeenstemming met al deze dingen verschilt steeds de

wijze, waarop dat weten gegeven wordt, maar in den grond is het toch

altijd hetzelfde: altijd leert het een goddelijk Bestaan, dat zich

openbaart als drieeenheid, altijd leert het dat de mensch drievoudig is

in zijn wezen gelijk God, en dat hij nog verder kan worden

onderverdeeld, drievoudig in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne

ontwikkeling; altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij

niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt en groeit, leven

na leven, en dat enkele menschen de volmaking bereikten en dan leeraars

zijn geworden van het ras. Deze volmaakte menschen waren eens gelijk aan

ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt gelijk de mannen en vrouwen van

thans, maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen en groeiden

en werden sterk en bereikten eindelijk de volmaking, gelijk wij de

volmaking kunnen bereiken. En toen zij volmaakt waren, begonnen zij

hunnen medemenschen te leeren, en vormden een groote Broederschap van

leeraars; en van tijd tot tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat

aan ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat ieder ras, ieder

volk een godsdienst zou ontvangen, geschikt om het te helpen en te

leeren. En de reden waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat

zij altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap heeft

bestaan, langen, langen tijd reeds voordat de beschaving van Europa

ontstond, voordat zelfs Indie zijn beschaving ontving. Daar, waar thans

de wateren van den Atlantischen Oceaan zich vergaren, was eens een groot

vastland, dat begon waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de

plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland had zich een hooge

beschaving ontwikkeld. Sporen van die beschaving worden nog gevonden in

Mexico en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen zijn overblijfsels

van zeer oude steden ontdekt en daar zijn hieroglyphen en beelden

aangetroffen, gelijkende op die welke men in Egypte gevonden heeft,

zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika aan den anderen kant

hetzelfde schrift en beeldhouwwerk is ontdekt. Dit toont ons dat er

tusschen deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een grooten

oceaan, eens gemeenschap is geweest. In Plato scholen, waar hetzelfde

goddelijk weten werd geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid,

zoodat de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden goddelijken

grondslag. In Griekenland droegen deze leeringen het eerst den naam

Theosofie, wat niets anders is dan het Grieksche woord voor goddelijk

weten. De Grieken nu gaven dit weten niet slechts in den vorm van

godsdienst, maar ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in

vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indie en China, en de wijsbegeerte

van Plato, zooals die op de scholen wordt onderwezen, berust op het

goddelijk weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden en van den

Logos, wanneer hij ons zegt dat de wereld in de gedachte van den Logos

bestond, voordat zij zich voordeed als een stoffelijke verschijning,

wanneer hij ons spreekt van denkbeelden die, bestaande in den

goddelijken geest, een voor een worden uitgestort om de stoffelijke

wereld op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk weten; en wanneer

gij de leeringen van Pythagoras bestudeert en van hem leert dat de

geheele wereld op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de

geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren is samengesteld,

dat alle steenen en kristallen en planten en dieren zijn gebouwd naar

den grondslag van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat oude goddelijk

weten, dat hij geleerd heeft in Indie, en dat hij naar Europa heeft

overgebracht. Evenzoo is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert

van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk weten, maar

in den lateren tijd is de wiskunde eng en bekrompen gemaakt en volstrekt

niet begrepen in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het goddelijk

aanzicht ervan is verdwenen en slechts de vorm, de gedaante wordt

gegeven als de wiskunde, terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken

onderwezen, een aanzicht van het goddelijk weten was; hun leerde hoe de

wereld gemaakt is en hoe de gang is der ontwikkeling, hoe de mensch

langzamerhand wordt opgebouwd, hoe steenen en planten en dieren zijn

gemaakt naar getal en naar vorm; hun een begrip gaf van de

ontwikkelingsgeschiedenis der wereld. In den laatsten tijd begint de

wetenschap bij hare natuurstudie de wetten weer te ontdekken, die het

goddelijk weten onder de Grieken en Indiers leerde in wijsbegeerte en

wetenschap. En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en plantkunde

bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen de wet leeren van getal,

van vorm en van trilling; dat alle dingen door trilling worden

opgebouwd, dat alle krachten door trilling hun werking voortplanten, en

dat het aantal dezer trillingen in de sekonde den aard der kracht en

haar werking bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder geluid

trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen vorm, dat iedere

noot overeenstemt met een vorm en een kleur, en naarmate wij deze

trillingen en vormen en kleuren doorgronden, beginnen wij een begrip te

krijgen, hoe de natuur haar opbouwend werk verricht. Uitgaande van de

stoffelijke wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te

ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren geleden leerde,

terwijl het uitging van de hoogere wereld in plaats van uit de lagere,

want het goddelijk weten daalt steeds van gedachte neder tot vorm, klimt

niet op van vorm tot gedachte, terwijl de nieuwere wetenschap steeds

begint met den uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de

gedachte.

 

Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen evengoed wijsbegeerte en

wetenschap, als godsdienst. Het leerde den menschen niet slechts hoe de

ziel kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden der wereld om hen

heen, en de verborgenheden van het verstand, van de rede, van het

begripsvermogen in den mensch.

 

Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard, totdat vier of vijf

eeuwen na Christus een groote verandering kwam in het Westen. Er

ontstonden in de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij was die

der ontwikkelde en wijze Christenen, die de oude leeringen hoog hielden

en het goddelijk weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden,

de groote menigte der onontwikkelden, die tot het Christendom waren

aangetrokken door de zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid

niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene, wat zij niet konden

deelen, en haatten alle wijsheid, die zij niet konden begrijpen; en zij

vormden eene groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis en

wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat deze niets met godsdienst te

maken hadden, dat zij niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts

de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te begrijpen was, van

belang was voor de menschelijke ziel. En daar er toen evenals nu veel

meer onwetenden waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund

werden door den val van het Romeinsche rijk, door oorlogen en invallen,

door de staatkundige moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid van

de groote menigte der armen, wier lot schromelijk was verwaarloosd,

spanden al deze dingen samen tegen de kennis en voor de onwetendheid,

zoodat de kennis uit het Christendom verloren ging en slechts de

zedelijke en geestelijke leering bleef. Hiertoe werkte nog een andere

oorzaak mede: in alle oude godsdiensten, en in het Christendom even goed

als in alle andere, bestonden twee soorten van leeringen. De eene voor

de groote menigte, eenvoudig en helder, omvatte slechts de zedelijke

voorschriften, welke den menschen leerden een goed leven te leiden, een

zeer eenvoudig verstandelijk onderricht, juist genoeg om de zeer

onontwikkelden voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der

broederschap en die der wedergeboorte, en de wet welke zegt dat des

menschen daden hem zijn geluk of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de

wet van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen zouden inzien, dat

een goed leven, hier op aarde geleid, hun geluk zou brengen na den dood

en een beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn weergekeerd.

Deze dingen werden aan allen geleerd; maar meerdere kennis werd

toevertrouwd aan hen, wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van

de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk aan de wet van

Christus gehoorzaamden, en die in hun uiterlijk leven een hoogen graad

van reinheid hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat wij de

mysterien van Jezus noemen en kregen daar de innerlijke leering, welke

slechts zij die een rein leven leidden, konden deelachtig worden. Deze

innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit dezen kring kwamen

de leeraars en bisschoppen en de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de

menschen, die het Christendom prediken mochten, zoodat de kerk een groep

van wijze menschen bezat, onderricht in diepere kennis, en door die

kennis in staat om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die

hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen. Want dit geheime

onderricht was steeds praktisch. Het leerde den menschen hoe zij hun

bewustzijn konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand

bewust konden worden op hoogere gebieden van bestaan, hoe het leven der

ziel kan worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het lichaam kan

verlaten en in aanraking komen met de onzichtbare wereld. Het leerde hoe

de ziel, na het lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen en

kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld, hoe de ziel leering kan

ontvangen van de engelen en geestelijke verstandswezens en zoo kennis

verkrijgen die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen, hoe de

ziel, van het lichaam bevrijd, de toestanden kan onderzoeken van het

leven na den dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde,

verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in plaats van uit den mond

van andere menschen: in deze scholen verkregen de onderzoekers

eerste-hands kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden den aard

van den mensen begrijpen door eigen onderzoek, in plaats van af te

hangen van de mededeelingen van anderen. Daardoor waren zij veel beter

in staat onderricht te geven, dan zij die hun kennis slechts uit boeken

hadden verkregen.

 

Het gevolg van het bestaan van deze scholen in de kerk was dus dat er

vele menschen waren die deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden,

zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom. In de vijfde

eeuw echter verdwenen deze scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit

gebrek aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een fout die door

vele menschen wordt begaan, is dat zij denken dat de leeraars de kennis

terughouden. In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de kennis

niet willen mededeelen, maar de leerlingen, die ze niet willen leeren,

leeren op de eenige wijze waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze

scholen van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen, want er

waren niet genoeg menschen die het leven wilden leiden dat vereischt

wordt voor leerlingen van het Occultisme; zij wilden dit leven niet

leiden, maar slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden, en

toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed waren. Zoo verdween

langzamerhand de innerlijke school en slechts een zwakke overlevering

van haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters der

Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan verscheen in de middeleeuwen

nog een heilige die door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij

iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen van deze heiligen vinden

wij in de geschiedenis der kerk vermeld; waarlijk groote,

hoog-ontwikkelde zielen, die _wisten_ omtrent de onzichtbare wereld, en

op de oude wijze onderricht geven konden, omdat zij wisten en kenden.

Nu en dan zien wij een van hen verschijnen, doch hun aantal is gering:

St. Elisabeth van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas a Kempis,

de geleerde Thomas Aqumo, deze allen zijn de groote leeraars der kerk

gedurende de middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk weten,

dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd. Dan waren er nog andere

menschen die een deel van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de

Christelijke kerk hadden verkregen. Sommigen van hen kwamen uit het

Oosten en anderen reisden als jonge menschen daarheen, en kwamen met de

verkregen kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten behoorde

Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen genomen en naar het Oosten

gevoerd. Daar leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid en

bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij de grondlegger werd van de

nieuwere geneeskunde en scheikunde, waar hij leering bracht over de

elementen der scheikunde en over het magnetisme, die voor hem aan

niemand bekend was geweest, en waar hij zieken genas, die geen ander

genezen kon. Hij bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van deze

menschen was Christian Rosenkreuz, die in de vijftiende eeuw leefde. In

zijn jeugd reisde hij naar het Oosten en ontmoette daar een der groote

leeraars, die hem iets mededeelde van het oude geheime weten, om dit

terug te brengen aan de Christelijke kerk en om deze te ontwikkelen tot

een meer geestelijk lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen en

leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte de orde der

Rozenkruisers. Zijn werk was een der pogingen om het oude weten in de

westersche wereld terug te brengen. Een andere poging was die der

alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat oude weten. Zij wisten

dat er slechts een grondstof in de natuur bestaat en dat alle dingen uit

die eene grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de scheikunde een

wetenschap is, die de eigenschappen van die eene grondstof in al hare

wijzigingen onderzoeken kan, en zij bestudeerden die wetenschap in het

licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen vervolgden hen en

lachten hen uit en noemden hen oplichters en kwakzalvers en bedriegers,

doch in den tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde tot de

ontdekking te komen van wat hun in de middeleeuwen bekend was.

Tegenwoordig begint de scheikunde enkele der waarheden in te zien, die

door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen hen nog uitlachte,

toan niemand hen geloofde. Heden begint men te begrijpen dat er slechts

eene grondstof is, en dat alle dingen van die eene grondstof gemaakt

zijn en men begint zelfs weer te spreken van de mogelijkheid goud te

maken uit zilver en zoo in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te

doen, waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen en

vervolgd,--nu drie of vierhonderd jaar geleden.

 

Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult gij begrijpen dat de

Theosofie in den eenen of anderen vorm steeds in de wereld is blijven

bestaan als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap.

 

Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke de behoeften van

den tijd en de omstandigheden van het volk, waaraan de leeraar gezonden

werd, medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen zij weer het oude

weten aan de wereld leeraarde niets nieuws gaf. Het was slechts een

nieuwe vorm, een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde wat

er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst, wijsbegeerte en

wetenschap. Toen zij begon hare leering te geven, gaf zij eerst den

wijsgeerigen kant, leerde zij iets van den aard van het verstand, van de

rede, en van den aard van den mensch en van het goddelijk Bestaan, de

werkelijke wijsbegeerte die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna

ging zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen God en den

mensch, hoe de mensch een uitstorting is van God, een deel van het

goddelijk leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen kan,

hoe de menschelijke ziel zich kan ontplooien; en zij leerde weer wat

vroeger in de Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het lichaam

verlaten kan en in aanraking komen met groote geestelijke

verstandswezens en met de Meesters, hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan

en kennis opdoen uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan komen

tot weten in plaats van gelooven. Toen zij dit alles leerde, gaf zij ons

slechts weer wat reeds zoo dikwijls geleerd was in de groote

godsdiensten van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken

kant en leerde ons meer dan de mannen van de wetenschap van dien tijd

wisten, en zeide zij ons welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen

weinige jaren zouden worden gedaan; en vele van deze ontdekkingen zijn

inderdaad gedaan sedert haren dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de

eene grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar uiterlijke

verschijningsvormen heeft. In haar werk "De geheime Leer" sprak zij van

een eigenschap der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke zij

doordringbaarheid noemde, en welke in verband staat met helderziendheid.

Vijf jaar na haren dood ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn,

trillingen in de stof, welke in verband staan met helderziendheid en

welke de mcnschen in staat stellen te zien wat de helderziende kan zien

zonder werktuigen en hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde

Roentgen-stralen, waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een been, als zij

willen onderzoeken of het beschadigd is, kunnen fotografeeren ofschoon

het voor het gewone oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is ook

mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen. De mensch kan in

zichzelf het vermogen ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen

van Roentgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk lichaam te zien

zonder hulp van eenig werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande de

kennis van straling, van geluid en kleur leerde zij ons. Zij heeft ons

bewezen dat de oude wijsheid beter licht kan werpen op de waarheden der

nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf kan doen, en dat deze

laatste eerst langzamerhand datgene ontdekt wat door ben die het oude

weten bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen die zich het

ontvangen van dit onderricht waardig betoonden. Zoo bracht H.P.

Blavatsky ons dit weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten had,

en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten verder moesten

verspreiden, niet als iets nieuws maar als iets ouds, niet als een

nieuwe ontdekking maar als overoud weten, door de menschen vergeten, en

thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate wij zelven

leerden, onderrichtten wij op onze beurt anderen, en wij bevonden dat

dit goddelijk weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke de

mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Wij

bevonden dat wij zonder de werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap

hare feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van de vermogens der

ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld dat vele scheikundige waarheden door de

goddelijke krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden verkregen

dan door reagentien en proefnemingen van allerlei aard. Wij bevonden dat

de mensch in zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken en dat hij

veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen zijner innerlijke krachten

dan door het gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap. Maar tevens

weten wij dit: de vermogens der menschelijke ziel zijn niet bestemd tot

het doen van ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke beroemd

te maken en rijk. Zal de kracht der menschelijke ziel worden gebruikt

tot het doen van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden gebruikt

voor het welzijn der menschheid, en niet ten voordeele van den eenen

persoon, die de ontdekking doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp

van deze krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid kan helpen,

indien het ras er rijp voor is, aan allen gelijkelijk. Is het ras er nog

niet rijp voor, dan behoort zij toe aan allen, die haar kunnen

bevatten, niet aan den eenen mensch, die haar gemaakt heeft. Deze is

slechts een pandhouder van de eigendommen der menschheid. Naarmate de

Occultist zich ontwikkelt en meer leert en begrijpt wordt hij meer en

meer een dienaar der menschheid in plaats van haar meester. Alle kracht

welke hij verkrijgt wordt gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis

welke hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner medemenschen

te verminderen en den gang der menschelijke ontwikkeling te versnellen.

Wanneer de menschen tot ons komen om met ons te studeeren, eerst de

uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan zeggen wij hun steeds: Gij

moet de broederschap der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij

een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen belangen hebt buiten

die van dat huisgezin, dat gij geen bezittingen hebt buiten die van dat

huisgezin, dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die niet

tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en wanneer gij wat ouder zult

zijn en iets meer zult hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is

dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren tot sneller

ontwikkeling, opdat zij sneller mogen worden bevrijd van de ellenden der

aarde en spoediger dan anders den vrede en het geluk mogen bereiken.

Naarmate iemand werkelijk Theosoof wordt, moet hij meer en meer

onzelfzuchtig worden; hoe meer hij leert, des te meer moet hij anderen

dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des te grooter

verantwoordelijkheid rust op hem om de lasten zijner medemenschen te

verlichten. Het Occultisme brengt juist het tegengestelde van wat de

wereld welslagen noemt. De wereld kent hem welslagen toe, die rijkdom en

welvaart verwerft voor zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen

en zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene. Hij die slaagt in

het verkrijgen van goddelijke wijsheid en kennis en kracht, bezit deze

slechts in de mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner

medemenschen. Hij gebruikt ze nooit om over anderen te heerschen, nooit

om iets te verwerven voor zichzelf, nooit om zichzelf te verrijken ten

koste van een ander, en gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe

meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren, hoe meer hij begrijpt

des te meer moet hij deelen met anderen, hoe sterker hij wordt des te

grooter aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want de kracht van

het Occultisme, van het goddelijk weten kan nooit dienen om den bezitter

te doen uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om hen op te heffen

tot eigene hoogte, slechts om hen te doen deelen in eigene kracht. Dat

is het kernverschil tusschen de kennis der wereld en die van het

goddelijk weten. De eerste maakt den mensch tot heerscher, de andere tot

dienaar. Daarom zeide Jezus: "Indien iemand wil de eerste zijn, die zal

de laatste van allen zijn, en aller dienaar." [Voetnoot: Marcus 9, 35.]

Waarlijk groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid gegeven

hebben.

 

Het voorgaande is een schets van de geschiedenis der Theosofie in het

verleden, van de geschiedenis van het goddelijk weten in godsdienst,

wijsbegeerte en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid steeds

trachtte der wereld leering te schenken, en hoe zij twee vormen van

onderwijs deed ontstaan: het openbare voor allen, het bijzondere voor

hen die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van den vooruitgang

van het ras.

 

Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk. In de uiterlijke

Theosofische Vereniging komen de menschen om de wetten, volgens welke

de menschheid zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij deze wetten

hebben geleerd en trachten hun leven voor anderen nuttig te maken, komt

het innerlijk onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet gegeven

kan worden. Deze twee vormen bestaan nog heden als in het verleden, en

de Theosofische Vereniging is een Vereniging van onderzoekers, waartoe

een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte en wetenschap

wil bestudeeren in de richting van het goddelijk weten en daarbinnen een

groep van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de wereld hoog stelt

en streven naar hooger ontwikkeling, teneinde helpers te worden voor de

menschen rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens hunner ziel te

ontplooien. Dat is ons werk, onze plicht. Zij, die zich tot dit werk

voelen aangetrokken, kunnen in de Loges onzer Vereniging komen om

onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig toont, kan een

leerling worden in den dieperen zin van het woord, om een medewerker te

worden voor den vooruitgang van het ras. Herinner u echter steeds dat

het goddelijk weten niets anders heeft aan te bieden dan Zich en met

zichzelf de kracht anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het biedt

geen belooning in rijkdom, in gewone macht of kennis, maar dien

innerlijken schat, die den mensch in staat stelt een zegen te worden

voor zijn broeders, een mededrager van de lasten der wereld; en tot

diegenen onder u wien het ernst is met dit streven, tot hen wendt zich

de Theosofische Vereniging en biedt hun het oud, goddelijk weten,

waardoor zij helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel zenden de

Meesters hun boden onder de menschen. Ieder, die ernstig wil, wordt de

gelegenheid tot leeren gegeven.

 

 

 

 

Theosofie en haar leeringen.

 

II.

 

Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over de Theosofie en haar

leeringen, heb ik voor zoover dat in een korte voordracht mogelijk was,

de geschiedenis der Theosofie geschetst. Ik heb haar verband met de

groote godsdiensten der wereld aangeduid, hare verspreiding door de

verschillende landen beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage

de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar openlijken als in haar

innerlijken vorm. Ik stel mij voor hedenavond het onderwerp van een

anderen kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen zelve

welke de Theosofie brengt, welke zij geeft om de menschheid te helpen,

en ik zal u trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige toepassing

vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk en geestelijk gebied, dat

zij betrekking hebben op ieder deel van 's menschen samengestelden aard

en hem een helder denkbeeld geven van de wereld waarin hij leeft, van

den menschelijken samenstel en van de mogelijkheden, welke daarin

verborgen liggen.

 

Voor alles dan begint het onderricht der Theosofie, het goddelijk weten,

te spreken over het goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke

betrekking van den mensch tot God. Het leert dat er een goddelijk

Bestaan is, het Leven van al wat is; dat er slechts een goddelijk Leven

is, een goddelijke werking, eene kracht, welke overal bestaat in het

heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven van God zich bevindt,

dat overal waar dieren voelen kunnen of menschen kunnen denken, het

leven van God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en plantenrijk

steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven alle dingen; in het geheele

heelal is geen leven buiten het goddelijk Leven. Dit eene Bestaan ligt

ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de Theosofie begint met

het leeren van een grondeenheid, een wet van eenheid, van een-zijn alom;

en deze eenheid spruit voort uit God, die de eene bron is van alle

bewustzijn, waar ook dat bewustzijn worde gevonden. De ontwikkeling van

het bewustzijn in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden hunnen

oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend tot zelf-bewustzijn,

komt voort uit een bron, een oorsprong. Alle bewustzijn is een, wij

kunnen het eene niet scheiden van het andere, en de menschen van elkaar

vervreemden alsof zij tegenover elkander stonden--zij komen allen van

denzelfden stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde Leven, zij zijn

allen een uitdrukking van hetzelfde goddelijk Bestaan. Deze eenheid van

bewustzijn is eene uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht in

het heelal.

 

Maar niet alleen alle bewustzijn is een, ook alle kracht is een, en hier

stemt de wetenschap in met de Theosofie: er is slechts een groote

werking in het heelal; alle vormen van werking en kracht welke wij

waarnemen, zijn in den grond een. Zij kunnen in elkander omgezet worden;

alle vormen van werking welke de wetenschap bestudeert, alle krachten

welke wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of plantenrijk,

hetzij bij dier of mensch, al deze krachten zijn een in hunnen aard.

Slechts hun uitdrukking, hun wijze van openbaring is verschillend, bij

nader onderzoek blijken zij allen een te zijn: eene kracht, juist zooals

er een bewustzijn is.

 

Een derde uitdrukking van de wet van eenheid is de eenheid van stof.

Alle stof is een, hoe verschillend ook de vorm wezen mag welke zij

aanneemt. Er is slechts een grondstof en alle scheikundige elementen

zijn daaruit opgebouwd. Al wat wij om ons waarnemen: vaste lichamen,

vloeistoffen, gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde,

slechts verschillend in de rangschikking van zijn deelen. Wij vinden

door de geheele wereld heen een eenheid, eenheid van bewustzijn en

leven, eenheid van kracht, eenheid van stof, en deze drie eenheden zijn

de uitdrukkingen van het goddelijk Bestaan, zij komen alle uit het eene

Leven, het Leven van God.

 

Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en van stof kunnen wij een

gevolgtrekking maken. Daar er slechts een stof is, slechts een kracht,

slechts een bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een broederschap;

zij zijn allen gemaakt uit dezelfde bouwstoffen, zij zijn allen bezield

door dezelfde kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij

zien dat het geheele heelal een groote broederschap vormt, waarin de

verschillende schepselen in verschillende staten van ontwikkeling zijn,

maar allen worden saamgebonden door de eenheid van stof, van kracht, van

bewustzijn. In deze alomtegenwoordige grond-eenheid wortelt het begrip

"broederschap", en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van

hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander kunnen blijven staan.

Er moet een gemeenschappelijk goed zijn voor ons allen, een

gemeenschappelijke ontwikkeling waarin wij allen deelen, een

gemeenschappelijk doel waarnaar wij allen streven, en alle gedachten van

naijver of vijandschap, alle gedachten welke de menschen denken, alsof

zij elkanders bestrijders zijn in plaats van elkanders helpers en

broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande het wezen van God

en van den mensen. De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt de

broederschap tot een noodzakelijk feit in de natuur.

 

Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder uitwerken, bevinden wij dat

deze broederschap zich toont in alle betrekkingen, waarin wij tot

elkander komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking de eenheid van

stof heeft tot de broederschap der menschen. Onze lichamen zijn

opgebouwd uit wat wij "stof" noemen, en wij weten, dat ons lichaam

voortdure